In de mond komen zowel kwaadaardige (kanker) als goedaardige
zwellingen voor. Deze tekst bespreekt de kwaadaardige zwellingen. De
info geeft in grote lijnen aan, wat mondkanker en de behandeling
ervan inhoudt. Omdat de behandeling erg afhangt van veel diverse
factoren, is het niet mogelijk om heel specifieke informatie te
geven en zijn we dus slechts in staat een hoofdlijn aan te geven.
Belangrijk is: als u een plekje (of zwelling) bemerkt in de mond of op de lippen dat duidelijk anders oogt dan het omliggende slijmvlies en dat u nooit eerder is opgevallen, raadpleegt u dan uw tandarts of huisarts.
Vóórkomen en oorzaken
In Nederland komen per jaar per 100.000 mensen 2 gevallen van
mondkanker voor. Mondkanker kan in de gehele mond voorkomen: op de
lippen, de wang, de tong en tongbasis, het gehemelte, de mondbodem
(het deel van de mond onder de tong), etc. Bij het ontstaan ervan
speelt chronische irritatie van het slijmvlies vaak een belangrijke
rol. Zo moet gedacht worden aan langdurig roken en alcohol als
mogelijke oorzaak van kanker in de mond.
Langdurige blootstelling aan zonlicht of
pijproken kan een rol
spelen bij het ontstaan van lipkanker. Ook plaatselijk werkende
factoren, zoals een slechte mondhygiëne en een slecht passend
kunstgebit, en interne oorzaken (zoals gebrek aan bepaalde
voedingsstoffen en genetische oorzaken) kunnen een rol spelen. Soms
is er echter ook geen duidelijke oorzaak aanwijsbaar. Mondkanker
komt in Nederland vooral voor bij mensen van middelbare tot oudere
leeftijd en vaker bij mannen dan bij vrouwen.
Het voorstadium van mondkanker is vaak herkenbaar als een
niet-wegschraapbare witte plek (Leukoplakie)
of rode plek (erythroplakie). In 5 tot 7% van de gevallen ontstaat
uit Leukoplakie mondkanker (Bánóczy 1982). Als iemand in het
verleden al succesvol behandeld is voor mondkanker, treedt er toch
vaak (in 5 tot 10% van de gevallen) later weer een vorm mondkanker
op, vooral als de gewoonten die mogelijk tot het ontstaan van
mondkanker hebben geleid (roken e.d.) niet zijn gestaakt.
Klachten, groeiwijze en uitzaaiing
Een kwaadaardige mondtumor kan op verschillende manieren groeien: als heel oppervlakkige zweertjes, of juist meer "bloemkoolachtig" (poliep), of als "cysten" (vaak op het gehemelte). De oppervlakkige tumoren veroorzaken verrassend zelden pijn of andere klachten. Dit gebeurt vaak pas, als het gezwel dieper doorgroeit in de omliggende weefsels. Omdat mensen dan weinig gealarmeerd zijn, loopt men vaak lang door, voordat men met de zwelling een arts bezoekt.Als de tumor verder doorgroeit, kunnen andere klachten optreden zoals problemen met slikken en eten (waardoor gewichtsverlies), spraakstoornissen, het ontstaan van kwijlen, of een kunstgebit dat plots niet meer past. Een enkele maal veroorzaakt een mondtumor uitstralende pijn naar het oor. Ook kunnen klachten optreden in de vorm van zwelling van de lymfklieren in de hals, hetgeen veroorzaakt wordt door uitzaaiing naar de lymfklieren.
Mondkanker blijft vaak langdurig beperkt tot de mondholte en het duurt over het algemeen lang voordat de kanker uitzaait. Mondkanker kan op verschillende manieren uitzaaien: het frequentst via de lymfbanen naar de lymfklieren onder de kaak of in de hals. Daarna kan de tumor vanuit de lymfklieren ook via de bloedbaan naar elders in het lichaam uitzaaien (naar b.v. longen, lever en skelet). De mate van uitzaaiing hangt af van de grootte van de tumor zelf en het aantal aangedane lymfklieren.
Diagnose
Mondkanker diagnosticeert men door lichamelijk onderzoek: het bekijken en bevoelen van de mondholte en kaak, en het zoeken naar verdachte lymfklieren in de kaak- en halsregio. De uiteindelijke diagnose wordt gesteld door onderzoek van een stukje weefsel uit de verdachte plek, dat onder de microscoop bekeken wordt. Pas dan weet men definitief of er sprake is van mondkanker, of dat er toch sprake was van een goedaardige afwijking.Daarna vindt aanvullend onderzoek plaats om het 'stadium' te bepalen waarin de tumor zich bevindt. Onder het stadium wordt verstaan: de grootte van de tumor en de ingroei in de omliggende weefsels, het bestaan van uitzaaiingen naar lymfklieren en uitzaaiingen "op afstand" naar de longen, lever en het skelet. Meestal wordt er vooral aanvullend radiologisch onderzoek gedaan met gewone röntgenfoto's en eventueel CT of MRI. Deze informatie is heel erg belangrijk, omdat de behandeling er grotendeels van afhangt.
Behandeling
Elke patiënt met kanker wordt in teamverband in het ziekenhuis besproken alvorens tot een behandeling wordt besloten. Ieder ziekenhuis kent zogenaamde "Oncologiebesprekingen", waar de medische en persoonlijke situatie van elke nieuwe en reeds bekende kankerpatiënt in teamverband wordt besproken. Het Oncologieteam bestaat uit diverse artsen, zoals (kaak-)chirurgen, plastisch chirurgen, internisten, radiotherapeuten, Keel-Neus-Oor-artsen, radiologen, en ander gespecialiseerd personeel, zoals oncologieverpleegkundigen, logopedisten, tandprothetici, maatschappelijk werkers, psychologen, etc. In teamverband probeert men tot de beste behandeling voor elke individuele patiënt te komen.De behandeling hangt af van vele factoren, zoals de locatie van de tumor (waar bevindt de tumor zich in de mond) en het stadium waarin de tumor zich bevindt (grootte, doorgroei, uitzaaiing). Hoe kleiner de tumor (hoe gunstiger het stadium), hoe beter de resultaten zijn van de behandeling. Verder speelt de lichamelijke conditie van de patiënt ook een belangrijke rol bij de bepaling van de behandeling.
De behandelopties bestaan vooral uit operatie en (na-)bestraling. Kleine tumoren kunnen vaak goed operatief worden verwijderd. Afhankelijk van de mate van doorgroei in omliggend weefsel (o.a. spieren, bot) wordt besloten of aanvullende bestralingen nodig zijn. Als bij een eventuele bestraling de speekselklieren in het bestralingsveld liggen, kunnen deze hun functie verliezen en kan een droge mond ontstaan. Een dergelijke droge mond kan tevens tot ernstige cariës leiden. Vaak worden tijdens de operatie ook de lymfklieren in de hals weggehaald.
Hoe ingrijpend een operatie zal worden, hangt heel erg af van de locatie en doorgroei van de tumor, aangezien bij een chirurgische ingreep een flinke marge gezond omliggend weefsel wordt weggehaald, om er zodoende zeker van te zijn, dat er geen tumorresten overblijven. De patholoog-anatoom is de arts, die onderzoekt of de zogenaamde snijranden vrij van tumorresten zijn en of de lymfklieren wel of geen tumorcellen bevatten. Hier hangt o.a. van af, of er nog nabestraling of andere nabehandeling nodig is.
Prognose
Hoe vroeger de tumor ontdekt wordt, hoe gunstiger de prognose op lange termijn. Als er geen uitzaaiingen naar de lymfklieren zijn, is de vijfjaarsoverleving ongeveer 75%. Bij het bestaan van uitzaaiingen naar de lymfklieren, ligt dit percentage fors lager. Wanneer er reeds sprake is van algemene uitzaaiingen naar longen, lever en skelet, is de verwachting op korte termijn nog veel slechter. Precieze uitspraken over de prognose zijn niet mogelijk. Dat hangt o.a. ook af van de leeftijd en de algemene lichamelijke conditie van de patiënt.Controle en nabehandeling
Omdat de kans op het ontstaan van een tweede tumor in het hoofd-halsgebied groot is, is levenslange controle vereist. De controle is erop gericht om eventuele nieuwe vormen van mondkanker in een zo vroeg mogelijk stadium te ontdekken. Vroege behandeling heeft de beste kans van slagen. Vooral de eerste tijd (2 jaar) na de behandeling van de mondkanker is de controle het intensiefst. Vaak treden eventuele nieuwe vormen van mondkanker in deze periode op.Na bestraling is het belangrijk om extra aandacht te besteden aan het mogelijke optreden van een droge mond en hiermee samenhangende problemen zoals cariës. Regelmatige controle van het gebit en extra ondersteuning door een mondhygiëniste kunnen waardevol zijn.
Afhankelijk van het soort operatie dat is uitgevoerd kan de tussenkomst van een tandprotheticus gespecialiseerd op het gebied van protheses na kankeroperaties onontbeerlijk zijn. Vaak is een dergelijke tandprotheticus in dienst van het ziekenhuis waar de patiënt in behandeling is en wordt de patiënt idealiter voorafgaande aan de eventuele operatie reeds met hem of haar in contact gebracht. Soms is ook logopedische nazorg nodig.